Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna.
Vandaag lezen we Psalm 18:1-16.
Een lied van David, de dienaar van de Heer. Voor de zangleider.
David zong dit lied om de Heer te danken. Want de Heer had hem gered van Saul en van zijn andere vijanden.
Ik heb u lief, Heer.
U geeft mij kracht.
U beschermt me, bij u ben ik veilig.
God, bij u kan ik me verbergen.
U helpt mij en u bevrijdt mij.
U redt me van mijn vijanden.
Breng eer aan de Heer!
Want ik riep naar hem om hulp,
en hij heeft mij gered van mijn vijanden.
Ik was al bijna dood.
Het land van de dood zag ik al,
en ik was heel bang.
De dood was heel dichtbij,
hij had me al bijna te pakken.
Toen schreeuwde ik om hulp naar mijn God,
vol angst riep ik naar de Heer.
En hij hoorde mij roepen,
vanuit de hemel hoorde hij mijn stem.
Toen schudde en beefde de aarde.
De bergen schudden heen en weer,
want de Heer was woedend.
Er kwam rook uit zijn neus,
en vuur uit zijn mond.
De Heer spuugde vlammen van vuur uit.
Hij opende de hemel
en hij kwam naar de aarde.
Op donkere wolken kwam hij naar beneden.
Hij kwam omlaag op zijn hemelse wagen,
de wind blies hem vooruit.
Hij verborg zich in de duisternis.
Het was donker om hem heen,
donker van wolken en regen.
Vuur ging voor hem uit,
wolken van hagel en vuur.
Uit de hemel klonk de donder van de Heer,
de Allerhoogste liet zijn stem horen.
Hagel en vuur kwamen neer op de aarde.
De Heer stuurde bliksem
om zijn vijanden te verjagen.
Met pijlen van vuur maakte hij hen bang.
De Heer was boos,
hij was woedend!
Hij liet de aarde beven.
De bodem van de zee werd zichtbaar,
zelfs de zuilen onder de aarde waren te zien.
---
Boven de psalm staat binnen welke context je dit lied moet lezen: het is een danklied aan God die redt van de vijanden. Psalm 18 komen we ook tegen in 2 Samuel 22, waar de tekst volgt op alle strijd en oorlogen die David als koning heeft gevoerd. Zo heftig als Davids strijd was, zo heftig reageert God op de roep van de dichter. God grijpt in, en hoe! De dichter gebruikt beelden van een aardbeving, een vulkaanuitbarsting en onweer om Gods woede te omschrijven. Je kunt het je levendig voorstellen, het is om bang van te worden.
Maar de dichter is dankbaar, want zo wordt hij door God gered. In welke situatie zou jij dankbaar zijn voor Gods woede? Waarom?