Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries. 

Vandaag lezen we uit Handelingen 8:1-13.

Stefanus werd begraven door mannen die trouw waren aan God. Zij klaagden en rouwden om zijn dood.
Maar Saulus rouwde niet, want hij was het eens met de moord op Stefanus. Hij begon de gelovigen in Jeruzalem te vervolgen. Hij ging hun huizen langs, sleepte mannen en vrouwen naar buiten en bracht ze naar de gevangenis.
Zo werden de gelovigen vervolgd, vanaf de dag dat Stefanus vermoord werd. Daarom vluchtten ze allemaal naar Judea of Samaria. Alleen de apostelen bleven in Jeruzalem.
De gelovigen uit Jeruzalem vluchtten naar allerlei plaatsen. Overal vertelden ze het goede nieuws over Jezus.
Filippus ging naar de stad Samaria. Daar vertelde hij dat Jezus de messias is. Alle mensen luisterden goed naar wat Filippus vertelde. Want ze zagen dat hij wonderen deed. Veel mensen werden bevrijd van kwade geesten, die schreeuwend uit hen weggingen. En veel mensen die niet konden lopen, werden beter gemaakt. Iedereen in de stad was blij om wat er gebeurde.
In Samaria woonde al heel lang een man die toverkunsten kon doen. Die man heette Simon. Hij zei van zichzelf dat hij heel bijzonder was. De inwoners van Samaria waren diep onder de indruk van hem. Ze dachten: ‘Dit is de man die Gods kracht in zich heeft.’ Daarom luisterde iedereen goed naar hem.
Ze luisterden zo goed naar Simon omdat ze steeds weer onder de indruk waren van zijn toverkunsten. Maar toen Filippus vertelde over Gods nieuwe wereld en over Jezus Christus, gingen de mensen daarin geloven. Mannen en vrouwen lieten zich dopen.
Ook Simon ging geloven en liet zich dopen. Hij bleef steeds bij Filippus in de buurt. Hij was diep onder de indruk van alle wonderen die Filippus deed.

---

Dat de apostel Filippus naar de stad Samaria ging, was voor die tijd heel ongewoon. De Joden zagen Samaritanen als mensen waar je niet mee omgaat, zij zagen hen als onrein. Jezus had dit denken al doorbroken, door ook bij de Samaritanen het Koninkrijk van God aan te kondigen (lees bijvoorbeeld Johannes 4:9). Daarmee liet Jezus zien: ik ben er voor iedereen, man, vrouw, jong, oud en van welke afkomst dan ook. Filippus doet Jezus hierin na, door zowel in Samaria het goede nieuws te vertellen, als aan de Ethiopische ambtenaar, verder op in dit hoofdstuk. 

Welke mensen vallen nu buiten onze samenleving? Hoe zouden we aan hen het goede nieuws kunnen vertellen?