Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Dries.
Vandaag lezen we uit Handelingen 9:1-19 a.
Saulus was nog steeds een gevaar voor de volgelingen van de Heer Jezus. Hij wilde naar de stad Damascus om ook daar naar gelovigen te zoeken. Maar eerst ging hij naar de hogepriester. Hij vroeg of die hem brieven wilde meegeven voor de synagogen in Damascus. Want hij wilde toestemming hebben om alle gelovigen gevangen te nemen en hen naar Jeruzalem te brengen.
Saulus vertrok naar Damascus. Toen hij daar bijna was, straalde er plotseling een licht uit de hemel om hem heen. Saulus viel op de grond en hoorde een stem zeggen: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolg je mij?’ Saulus vroeg: ‘Heer, wie bent u?’ De stem zei: ‘Ik ben Jezus. Ik ben degene die jij vervolgt. Sta op en ga de stad in. Daar zal iemand je vertellen wat je moet doen.’
De mannen die met Saulus meereisden, hoorden wel een stem, maar ze zagen niemand. Ze waren zo verbaasd, dat ze niets wisten te zeggen.
Saulus stond op van de grond. Zijn ogen waren open, maar toch kon hij niets zien. De mannen die bij hem waren, pakten zijn hand en brachten hem naar Damascus.
Drie dagen lang kon Saulus niets zien. En al die tijd at en dronk hij niet.
In Damascus woonde een gelovige die Ananias heette. In een droom zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’ Ananias antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’
Toen zei de Heer tegen hem: ‘Ga naar het huis van Judas, in de Rechte Straat. Vraag daar naar een man die Saulus heet, en uit de stad Tarsus komt. Hij is aan het bidden, en hij heeft een droom gehad. In die droom heeft hij gezien dat er een man naar hem toe komt die Ananias heet. En die man zorgt ervoor dat hij weer kan zien.’
Ananias zei: ‘Heer, Saulus heeft uw volgelingen in Jeruzalem veel kwaad gedaan. Dat heb ik van veel mensen gehoord. En hij is naar Damascus gekomen om iedereen die in u gelooft, gevangen te nemen. Hij heeft toestemming van de hogepriesters.’
Maar de Heer zei: ‘Toch moet je gaan. Want ik heb Saulus uitgekozen om voor mij te werken. Hij moet over mij vertellen aan alle volken, aan koningen en aan de Israëlieten. Als dienaar van mij zal hij veel moeten lijden. Dat zal ik hem laten zien.’
Toen ging Ananias op weg. Hij ging het huis in waar Saulus was, en legde zijn handen op hem. Hij zei: ‘Saulus, vriend, op de weg naar Damascus heb je de Heer Jezus gezien. Nu heeft hij mij naar jou toe gestuurd. Want hij wil dat je weer kunt zien, en dat de heilige Geest in je komt.’
Meteen kon Saulus weer zien. Het was alsof er een blinddoek voor zijn ogen weggehaald werd. Saulus stond op en liet zich dopen. En toen hij gegeten had, kreeg hij zijn kracht terug.
Saulus bleef nog een paar dagen bij de gelovigen in Damascus.
---
Net zoals de Ethiopische ambtenaar begrijpt Saulus Gods weg (nog) niet. Hij is elke dag bezig met het geloof en de Bijbelse teksten. Hij was getuige van de vurige preek van Stefanus en van zijn dood (Handelingen 7:54-8:1). In tegenstelling tot de Samaritanen en de Ethiopische ambtenaar, kan Paulus niet geloven op basis van getuigenissen van anderen. Hij heeft een bijzondere ontmoeting met Jezus zelf nodig om tot inzicht te komen. Wanneer Jezus naar hem toe komt, veranderen zijn overtuigingen drastisch, maar zijn toewijding aan God blijft.
Hoe ben jij tot geloof gekomen? Heb je zelf de levende Heer ontmoet of is jouw geloof ontstaan na getuigenissen van anderen?