Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Nicolette.
Vandaag lezen we uit Romeinen 9:1-18.
Wat ik nu ga zeggen, is de volle waarheid. Christus weet dat ik niet lieg: ik ben kapot van verdriet over mijn eigen volk, de Joden. Echt, ik meen het, de heilige Geest weet dat het waar is. Ik ben ziek van verdriet. Ik zou willen dat ik mijn volk, mijn eigen mensen, kon helpen. God zou mij mogen straffen en bij Christus weghalen, als ik mijn volk daarmee het geloof kon geven.
De Israëlieten zijn Gods kinderen. Ze vereren de ware God, die altijd bij hen is. Met hen maakte God zijn afspraken, en aan hen gaf hij zijn wet. En God deed aan hen al zijn beloftes. Zij zijn het volk dat afstamt van Abraham, Isaak en Jakob. En zij zijn het volk waaruit Christus is gekomen, toen hij leefde als mens.
Alle eer aan Christus, die als God heerst over alle mensen, voor altijd! Amen.
Een deel van de Joden gelooft niet in Jezus Christus. Toch blijven Gods beloftes voor zijn volk gelden. Maar niet iedereen die een Jood is, hoort ook echt bij het volk van God.
Er stammen veel volken van Abraham af, maar alleen de Joden gelden als de echte nakomelingen van Abraham. Want in de heilige boeken zegt God tegen Abraham: «Alleen de kinderen van Isaak gelden later als jouw echte nakomelingen.» God heeft de Joden als zijn kinderen uitgekozen. Niet omdat ze van Abraham afstammen, maar omdat God beloofd heeft dat zij Gods kinderen zouden zijn. Dit was de belofte die God aan Abraham gaf: «Binnen een jaar zal Sara een zoon krijgen.»
Later werd Rebekka zwanger van onze voorvader Isaak. God vertelde haar dat ze een tweeling zou krijgen. En hij zei: ‘Ik maak de jongste belangrijk, maar de oudste niet.’ Zo liet God zien hoe hij werkt: hij bepaalt wie hij uitkiest. De kinderen waren nog niet eens geboren. Ze hadden nog geen goed of kwaad gedaan. Het gaat dus om de keuze van God, niet om het gedrag van mensen. En dit staat in de heilige boeken: «God hield van Jakob, maar hij hield niet van Esau.»
Maar is dat niet oneerlijk van God? Nee, natuurlijk niet! God heeft tegen Mozes gezegd: «Ik zal goed zijn voor wie ik goed wil zijn. Ik geef liefde aan wie ik liefde wil geven.» God bepaalt zelf wat hij doet. En dat hangt niet af van wat een mens wil of hoe goed een mens zijn best doet. Maar alles hangt af van Gods goedheid en liefde.
In de heilige boeken zegt God tegen de farao van Egypte: «Ik heb jou koning gemaakt, en ik zorg ervoor dat je tegen mij in opstand komt, en dat je gestraft wordt. Zo laat ik zien dat ik alle macht heb. Zo laat ik aan iedereen op aarde zien wie ik ben.» Het is dus God die bepaalt of iemand tegen hem in opstand komt. En het is God die beslist voor wie hij goed is.
----
Het klinkt je misschien wel willekeurig en oneerlijk in de oren: God kiest de mensen uit, al voordat ze goed of kwaad hebben gedaan. Maar Paulus heeft net uitgelegd wie God is en wat Hij voor ons heeft gedaan en zal doen. Wij zijn Gods kinderen en Hij houdt van ons! Wij zijn geen kinderen van God op grond van onze voorouders, of op grond van onze daden. We zijn Gods kinderen op grond van zijn belofte! Dat we Gods kinderen mogen zijn, hangt alleen af van zijn goedheid en liefde.
En laat dat een opluchting zijn: wie je bent of wat je doet, verandert niets aan de manier waarop God naar jou kijkt! Hoe kijkt God naar jou, denk je?