Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Paul. 

Vandaag lezen we uit Handelingen 14:8-20.

In Lystra woonde een man die geen kracht had in zijn voeten. Hij kon al zijn hele leven niet lopen.
Op een keer zat hij naar een toespraak van Paulus te luisteren. Paulus keek hem aan. Hij zag dat de man geloofde dat hij beter kon worden. Daarom riep hij tegen de man: ‘Kom overeind, en ga staan!’ Meteen sprong de man op en hij begon rond te lopen.
Toen de mensen zagen wat Paulus gedaan had, begonnen ze in hun eigen taal te roepen: ‘Dit lijken mensen, maar het zijn goden! De goden zijn naar ons toe gekomen!’ Want ze dachten dat Barnabas de Griekse god Zeus was. En ze dachten dat Paulus de god Hermes was, de boodschapper van de goden. Want Paulus hield alle toespraken.
Vlak bij de stad was een tempel van Zeus. De priester van de tempel kwam meteen naar de poort van de stad. Hij bracht stieren mee met bloemenkransen om hun nek. Hij en de andere mensen wilden die stieren offeren aan Paulus en Barnabas.
Toen Barnabas en Paulus begrepen wat er ging gebeuren, schrokken ze vreselijk. Ze duwden de mensen aan de kant en riepen: ‘Wat doen jullie nu? Wij zijn mensen, net als jullie! Wij vertellen juist dat je geen goden moet vereren die niet bestaan. Jullie moeten alleen de levende God vereren. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, en de zee en alles wat daar leeft. Tot nu toe werd God alleen door de Joden vereerd, en andere volken vereerden hun eigen goden. Toch heeft God ook voor jullie gezorgd. Hij zorgde dat het koren kon groeien, dat jullie eten hadden en gelukkig waren.’
Met die woorden konden Paulus en Barnabas de mensen nog maar net tegenhouden. Anders hadden de inwoners van Lystra hun een offer gebracht.
Terwijl Paulus en Barnabas in Lystra waren, kwamen er Joden uit Antiochië en Ikonium. Zij vertelden slechte dingen over Paulus, en de inwoners van Lystra luisterden naar hen.
Toen probeerden ze Paulus te doden. Ze gooiden net zo lang stenen naar hem tot ze dachten dat hij dood was. Daarna sleepten ze hem de stad uit. Maar toen de christenen om hem heen kwamen staan, kwam Paulus overeind. En hij ging de stad weer in.
De volgende dag gingen Paulus en Barnabas weg uit Lystra. Ze reisden naar Derbe.

----

God gebruikt Paulus en Barnabas om wonderen te doen, maar zij zijn niet degene die aanbeden moeten worden. Ook in de kerk ligt het gevaar altijd op de loer dat niet God, maar de boodschapper alle aandacht naar zich toe trekt. Maar Paulus maakt duidelijk: alleen God is het waard om vereerd te worden. Het gaat niet om ons! Het Bijbelgedeelte laat ook zien hoe wispelturig mensen zijn in hun verering. Eerst willen ze offers brengen aan Barnabas en Paulus, maar vervolgens willen ze Paulus stenigen, alleen omdat ze slechte verhalen over hem gehoord hebben. 

Het lijntje tussen de verering van God en van mensen kan dun zijn. Ken jij situaties waar dit misgaat - of juist waar het heel goed gaat, omdat de leider steeds naar God verwijst?