Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.
Vandaag lezen we uit Prediker 6:1-12.
De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen: ‘Nu volgen er regels over offers die helemaal verbrand moeten worden.
Zo’n offer moet de hele nacht op het altaar blijven liggen, en het vuur moet blijven branden.
De volgende ochtend moet de priester een linnen broek en een linnen mantel aantrekken. Hij moet de as van het verbrande offer weghalen en naast het altaar leggen. Daarna moet hij andere kleren aantrekken. En dan moet hij de as naar de ashoop buiten het kamp brengen.
Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden. Het mag niet uitgaan. Daarom moet de priester elke ochtend hout op het vuur leggen. En op het hout moet hij een nieuw offer leggen dat helemaal verbrand moet worden. Ook de vette delen van de offers bij een feestmaal moeten dan verbrand worden.
Het vuur op het altaar moet altijd blijven branden. Het mag nooit uitgaan.
Nu volgen er regels over graanoffers.
De priesters moeten het meel voor een graanoffer aan de Heer aanbieden bij de voorkant van het altaar. Dan moet één van de priesters een handvol meel en wat olijfolie pakken. Dat moet hij samen met wat wierook op het altaar verbranden. Het is een teken voor het hele offer.
Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.
De rest van het meel is voor de priesters. Ze moeten er brood zonder gist van bakken. Dat brood moeten ze opeten op het plein bij de heilige tent. Want dat plein is een heilige plaats.
Het brood voor het graanoffer is heel heilig, net als de offers waarmee goedgemaakt wordt wat iemand verkeerd gedaan heeft. Ook alles wat met het graanoffer in contact geweest is, wordt heilig.
De Heer heeft een deel van het graanoffer dus speciaal bestemd voor de priesters. Alle nakomelingen van Aäron mogen ervan eten. Zij mogen altijd een deel van de graanoffers voor de Heer hebben.’’
---
De hardwerkende man met onvervulde verlangens die Prediker in vers 7 noemt, lijkt op een man die werkweken maakt van zestig, zeventig, soms tachtig uur. Dit deed hij jaar in jaar uit, totdat zijn vader plotseling overleed. Hij verloor toen zijn motivatie om zo hard te werken. Toen iemand hem vroeg waarom hij eigenlijk altijd zo hard gewerkt had, gaf hij aan dat hij er ten diepste naar verlangd had dat zijn vader zou zeggen dat hij trots op hem was. Maar dit diepe verlangen werd nooit vervuld. Zo kunnen we allemaal onze verwachtingen hebben als we hard werken. De een verlangt naar bevestiging, de ander naar zekerheid, maar denk ook aan veiligheid, brood op de plank en jezelf ontwikkelen.
Prediker stelt de vraag: Wie of wat kan onze verlangens (naar bevestiging, veiligheid, zekerheid enz.) vervullen? Hoe is dat voor jou?