Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Eva.

Vandaag lezen we Titus hoofdstuk 2 vers 11 tot en met hoofdstuk 3 vers 7. 

[11] God heeft laten zien dat hij goed is, en dat hij alle mensen wil redden. [12] Zijn goedheid helpt ons om betere mensen te worden. Zodat we nee kunnen zeggen tegen een leven zonder God en tegen onze slechte verlangens. Dan kunnen we in deze wereld een wijs en eerlijk leven leiden, zoals God het wil. [13] En intussen wachten we vol vertrouwen op het grote geluk: de komst van onze grote God en redder Jezus Christus. [14] Hij gaf zijn leven om ons te redden. Daardoor heeft hij ons bevrijd van alle schuld. Zo maakte hij van ons zijn heilige volk, een volk dat zijn best doet om goed te leven.
 [15] Titus, gebruik het gezag dat God je gegeven heeft. Doe dat als je mensen uitleg geeft, als je ze moed inspreekt of op hun fouten wijst. Laat je door niemand beledigen!
 [1] Blijf de christenen vertellen dat ze het gezag van heersers en machthebbers moeten accepteren. Christenen moeten gehoorzaam zijn. Ze moeten bereid zijn om alles te doen wat goed is. [2] Ze mogen niemand beledigen en geen ruzie zoeken, ze moeten juist vriendelijk zijn. Ja, ze moeten altijd laten zien dat ze vriendelijk zijn voor iedereen.
 [3] Voordat we christenen werden, waren ook wij dwaas en ongehoorzaam. We hadden verkeerde ideeën. We waren in de macht van allerlei slechte verlangens. We waren gemeen en jaloers. We hadden een vreselijke hekel aan elkaar, we haatten elkaar.
 [4] Maar toen liet God, onze redder, zien hoe goed hij is, en hoeveel hij van mensen houdt. [5] Hij heeft ons gered. Niet omdat wij dat verdienen door onze goede daden, maar omdat hij medelijden met ons had. Door onze doop zijn we een nieuw leven begonnen. Dankzij de heilige Geest leven we als nieuwe mensen. [6] God heeft ons allemaal zijn Geest gegeven, dankzij Jezus Christus, onze redder. [7] We zijn dus gered omdat God goed voor ons is. We zullen het eeuwige leven krijgen. Daar vertrouwen we op.
 
 Het is makkelijker gezegd dan gedaan; nooit ruzie maken en altijd vriendelijk zijn. Maar volgens de schrijver hoeven we het niet alleen te doen: God heeft ons zijn Geest gegeven, en door die Geest kunnen we als nieuwe mensen leven. Als we proberen met Gods liefde naar andere mensen te kijken dan kunnen we leren niet meer jaloers te zijn of ruzie te zoeken. 

Met welke gevoelens worstel jij nog weleens? Jaloezie, ongeduldigheid, boosheid of hebberigheid? Wil je dit in gebed bij God brengen?