Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Mijn naam is Dick. 

Vandaag lezen we uit 1 Kronieken 29, de verzen 10 tot en met 20. 

"[10] Toen dankte David de Heer. Alle Israëlieten waren daarbij aanwezig.
David zei: ‘Heer, God van onze voorvader Jakob die de naam Israël gekregen heeft. Wij zijn u voor altijd dankbaar! [11] U bent geweldig en machtig. U hebt alle macht, alle eer en alle kracht. Heer, u bent koning van de hele aarde, en u heerst over de hemel. Alles is van u!
[12] U kunt mensen rijk en beroemd maken. U heerst over alles, want u hebt alle macht. U beslist wie sterk en machtig worden. [13] Daarom zijn we u dankbaar. Wij danken u, onze God!
[14] Mijn volk en ik hebben heel veel geschenken gegeven voor de tempel. Maar dat kon alleen door u! Alles wat wij voor uw tempel gegeven hebben, hebben we eerst van u gekregen. [15] Ons leven op aarde is onzeker, het kan zomaar voorbij zijn. Wij voelen ons alsof we uw gasten zijn, in een land dat niet van ons is. Zo hebben onze voorouders zich ook altijd gevoeld.
[16] Heer, onze God, we hebben al die rijkdommen verzameld om voor u een tempel te bouwen. Maar al die rijkdommen hebben we eerst van u gekregen. En nu geven we ze weer aan u terug!
[17] Mijn God, ik weet dat u in ons hart kunt kijken. U wilt dat wij eerlijk zijn. Ik heb alles graag aan u gegeven. En ook uw volk heeft de geschenken graag aan u gebracht.
[18] Heer, God van onze voorouders Abraham, Isaak en Israël, de Israëlieten willen uw volk zijn! Zorg dat ze u altijd trouw blijven. [19] Zorg er ook voor dat mijn zoon Salomo altijd zal doen wat u wilt. Dat hij zich trouw zal houden aan uw wetten en regels. En dat hij de tempel zal bouwen, waarvoor ik het werk voorbereid heb.’
[20] Toen zei David tegen de Israëlieten: ‘Dank de Heer, jullie God!’ Alle mensen knielden, bogen diep, en dankten de Heer, de God van hun voorouders.

David is ontzettend blij. Met grote dankbaarheid geven hij en het volk hun geschenken aan de Heer. David benoemt dat de mensen alles wat ze aan de tempel geven eerst van God hebben ontvangen. Het goud en zilver beschouwt David niet als zijn eigen bezit, hij heeft het van God gekregen en geeft het weer aan Hem terug. Zelfs het land waar de mensen wonen is niet van henzelf maar van God. David noemt het leven onzeker, maar straalt juist een enorme vreugde uit. En als je er even over nadenkt, is dat helemaal niet raar. Als de status op je werk, de waarde van je huis of je bezittingen niet van jou zijn, kun je ze ook niet verliezen. Als alles wat we hebben door God gegeven is, dan is niets van onszelf, dan zijn wij allemaal gelijk. 

Probeer deze gedachte vandaag eens vast te houden. Word je er inderdaad blij van?"