Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Daniël.
We lezen vandaag uit Lucas. Hoofdstuk 5 vers 1 tot en met 11.
Op een keer stond Jezus bij het Meer van Gennesaret. Er stond een grote groep mensen dicht om hem heen. Die wilden allemaal de boodschap van God horen.
Toen zag Jezus twee boten liggen. De vissers stonden bij hun boten de netten schoon te maken. Jezus stapte in één van de boten, het was de boot van Simon. Jezus vroeg hem om een stukje het meer op te varen. En vanaf de boot sprak Jezus tegen alle mensen aan de kant.
Toen Jezus uitgesproken was, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar dieper water en gooi je netten uit. We gaan vissen.’ Simon antwoordde: ‘Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat u het zegt, zal ik het doen.’
Simon en zijn helpers gooiden de netten uit, en deze keer vingen ze een heleboel vis. De netten zaten zo vol dat ze begonnen te scheuren. De mannen riepen hun vrienden in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen, en samen vulden ze de twee boten met vis. Er was zo veel vis, dat de boten begonnen te zinken.
Toen Simon Petrus dat zag, knielde hij voor Jezus en zei: ‘Heer, ga toch van me weg, want ik ben een slecht mens.’ Simon was namelijk erg geschrokken omdat ze zo veel vis gevangen hadden. Ook zijn helpers waren erg geschrokken. Net als zijn vrienden in de andere boot. Dat waren Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs.
Jezus zei tegen Simon: ‘Je hoeft niet bang te zijn. Vanaf nu zul je mensen vangen in plaats van vissen.’ Toen trokken de vissers de boten aan land. Ze lieten alles achter en gingen met Jezus mee.
In Lucas 4 lazen we al over de schoonmoeder van Simon, maar pas nu wordt Simon ook geroepen als een van de leerlingen waarmee Jezus tot aan zijn dood zal optrekken. De manier waarop Simon reageert op het wonder van de vele vissen, doet een beetje denken aan de roeping van Jesaja (Jesaja 6:5). Jesaja en Simon voelen allebei aan dat ze met iets in aanraking zijn gekomen dat hun begrip te boven gaat, en dat niet past bij hun menselijke tekortkomingen.
Heb je je ook wel eens overweldigd gevoeld door Gods nabijheid? Hoe reageerde je toen?