Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna. 

Vandaag lezen we Lucas 7 vers 11 tot en met 17.

Daarna ging Jezus naar de stad Naïn. Zijn leerlingen en veel andere mensen gingen met hem mee. Toen ze bij de poort van de stad kwamen, liep er net een grote groep mensen de stad uit. Ze droegen een dode jongen. De moeder van de jongen liep mee. Ze had niemand meer. Haar man was al overleden, en nu was haar enige kind gestorven.
Toen de Heer de moeder zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ Daarna liep hij naar de dode jongen toe. De mensen die de jongen droegen, bleven staan. Jezus raakte het lichaam aan en zei: ‘Jongen, ik wil dat je opstaat.’ De jongen kwam overeind en begon te praten. Toen gaf Jezus hem weer aan zijn moeder.
Alle mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘God heeft aan zijn volk gedacht. Hij heeft een machtige profeet naar ons toe gestuurd.’
Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Judea en daarbuiten.

Vandaag lezen we over een bijzonder wonder van Jezus: hij geeft een weduwe haar enige zoon terug. Daar zit natuurlijk allereerst een emotionele kant aan: een treurende moeder mag haar kind weer in haar armen sluiten. Maar in de tijd van de Bijbel had dit ook een sociaaleconomische kant, die past bij de manier waarop Jezus in Lucas 4:14-21 zijn opdracht beschrijft. Hij is gekomen om ‘een genadejaar van de Heer uit te roepen’. Daar hoort bij dat iemand die in armoede dreigt te vallen, zoals deze weduwe, weer de kans op een normaal bestaan krijgt. De toeschouwers erkennen dat door te roepen: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd.’ 

Welke van deze twee kanten in het verhaal spreekt je het meest aan?