Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Mijn naam is Dick.
Vandaag lezen we Lucas hoofdstuk 8, de verzen 40 tot en met 56.
Toen Jezus terugkwam in Galilea, werd hij door veel mensen begroet. Ze hadden allemaal op hem gewacht.
Er was ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus knielde voor Jezus op de grond en zei: ‘Ga alstublieft mee naar mijn huis, mijn dochter gaat dood!’ De dochter van Jaïrus was twaalf jaar, en ze was zijn enige kind.
Terwijl Jezus met Jaïrus meeging, liepen de mensen om hem heen te dringen. Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. De vrouw had al haar geld uitgegeven aan dokters, maar niemand had haar beter kunnen maken. Het lukte de vrouw om vlak achter Jezus te komen en de rand van zijn jas aan te raken. Het bloeden stopte meteen.
Toen vroeg Jezus: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Maar niemand zei: ‘Dat was ik.’ Toen zei Petrus: ‘Meester, al deze mensen staan om u heen en duwen tegen u aan.’ Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft mij aangeraakt. Ik voelde dat er kracht uit mij wegging.’
De vrouw begreep dat Jezus het gemerkt had. Bevend van angst kwam ze naar voren, en ze knielde voor Jezus. Toen vertelde ze waarom ze hem aangeraakt had. En hoe ze meteen beter geworden was. Iedereen hoorde het.
Jezus zei tegen haar: ‘Je bent gered dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn.’
Terwijl Jezus nog tegen de vrouw sprak, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven, dan zal je dochter gered worden.’
Toen ze bij het huis van Jaïrus kwamen, ging Jezus naar binnen. Alleen Petrus, Johannes en Jakobus mochten met hem mee. En ook de vader en de moeder van het meisje.
Alle mensen die in het huis waren, huilden en hadden verdriet. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie hoeven niet te huilen, want het meisje is niet gestorven. Ze slaapt.’ De mensen lachten hem uit, want ze wisten dat het meisje dood was. Maar Jezus pakte haar hand vast en riep: ‘Meisje, sta op!’ Toen kwam het leven terug in het meisje, en ze stond direct op. ‘Geef haar wat te eten,’ zei Jezus.
De ouders van het meisje waren stomverbaasd. Jezus zei tegen hen: ‘Vertel aan niemand wat hier gebeurd is.’
Een vrouw en een meisje, twee wonderen. Wat deze twee wonderen verbindt, is geloof – of gebrek daaraan. De vrouw gelooft dat ze Jezus alleen hoeft aan te raken om beter te worden. Dat maakt haar moedig – brutaal, zou je bijna kunnen zeggen. En Jezus zegt tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered.’ Maar bij het huis van Jaïrus treft Jezus alleen mensen met ongeloof. Ze lachen hem zelfs uit, wanneer hij zegt dat het meisje niet dood is. Ze menen zelf beter te weten. En ze zullen ook nooit weten wat er gebeurd is, want Jezus zegt dat de ouders niets mogen vertellen.
In welke persoon uit dit verhaal kun je je makkelijk verplaatsen? En in wie juist helemaal niet?