Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Mijn naam is Dick. 

Vandaag lezen we Deuteronomium 23:2-9.

Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn, mogen niet bij het volk van de Heer horen. Dat geldt ook voor mannen bij wie de penis afgesneden is. Ook kinderen uit een verboden relatie mogen niet bij het volk van de Heer horen. Dat geldt ook voor hun nakomelingen, tot aan de tiende generatie.
Ook de Ammonieten en Moabieten zullen nooit bij het volk van de Heer horen. Want zij gaven jullie geen eten en drinken toen jullie uit Egypte kwamen. En zij wilden dat Bileam, de zoon van Beor uit Aram-Naharaïm, een vloek over jullie zou uitspreken. Maar de Heer, jullie God, heeft toen niet naar Bileam geluisterd. Hij heeft van de vloek zelfs een zegen gemaakt! Dat deed hij omdat hij van jullie hield.
Omdat de Ammonieten en Moabieten toen niet goed voor jullie waren, mogen jullie hen nooit helpen. Help hen niet om rijk of gelukkig te worden.
Maar voor de Edomieten moeten jullie wel respect hebben, want zij zijn familie van jullie. En wees ook goed voor de Egyptenaren, want jullie hebben als vreemdelingen in hun land gewoond. De Edomieten en de Egyptenaren mogen nu nog niet bij het volk van de Heer horen, maar hun kleinkinderen en de volgende generaties wel.

Het zijn een paar vreemde verzen om zo achter elkaar te lezen. Het gaat over wie er niet en wie er wel bij het volk van God mogen horen. Sommige uitsluitingen gelden voor altijd, sommige voor meerdere generaties. 'Tot de tiende generatie': als je bedenkt dat een mens ongeveer 70 jaar oud werd, geldt dit dus voor 700 jaar. Dat levert allemaal praktische vragen op: wie hield dit allemaal bij? Toch klinken ook in deze teksten de waarden liefde, waardigheid en respect door, zelfs voor Edomieten en Egyptenaren.

God maakte van de vloek van Bileam een zegen, uit liefde. Hij geeft de regels ook uit liefde. Waar zie je dat nog meer aan terug?