Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Mijn naam is Dick.
Vandaag lezen we Deuteronomium 23:16-26
Als een slaaf bij zijn meester weggelopen is en bij jullie komt, breng hem dan niet terug. Hij mag bij jullie blijven. En hij mag zelf kiezen in welke stad hij gaat wonen. Jullie mogen geen misbruik van hem maken.
Geen enkele Israëliet mag bij de tempel van de Heer werken voor andere goden, vrouwen niet en mannen niet. En als er toch mensen zijn die daarmee geld verdienen, dan mogen ze dat niet aan de Heer geven. Ook al hebben ze dat aan hem beloofd. Want aan zulk geld heeft de Heer een grote hekel.
Stel dat je geld leent aan een andere Israëliet, of voedsel of nog iets anders. Dan mag je geen rente vragen. Je mag wel rente vragen aan een vreemdeling, maar niet aan iemand van je eigen volk.
Als jullie je aan die regel houden, dan zal de Heer, jullie God, goed voor jullie zijn. Dan zal hij zorgen dat jullie rijk en gelukkig worden in het land dat jullie in bezit gaan nemen.
Stel dat je belooft om iets te doen voor de Heer, je God. Dan moet je daar niet te lang mee wachten. Doe snel wat je beloofd hebt. Anders zal de Heer je straffen.
Als je helemaal niets beloofd hebt, kun je ook niet gestraft worden. Maar als je wel iets beloofd hebt, moet je je daar ook aan houden. Want je hebt er helemaal zelf voor gekozen om het aan de Heer te beloven.
Stel dat je door de wijngaard van iemand anders loopt. Dan mag je daar net zo veel druiven eten als je wilt. Maar je mag de druiven niet in een zak stoppen en meenemen.
En als je door iemands korenveld loopt, mag je met je hand wat koren plukken. Maar je mag het koren niet gaan oogsten.
Ook hier zijn de regels die Mozes (door)geeft zeer praktisch van aard. Vraag geen rente als je geld uitleent aan mede-Israëlieten - deze mensen hebben het vaak al zwaar genoeg. Je mag dus geen geld verdienen aan de nood of ellende van een ander. De Israëlieten mogen ook geen geld verdienen aan het werken voor andere goden. En als ze dit dan toch doen, dan moet het geld niet aan God worden gegeven want Hij heeft een hekel aan zulk geld. Het doet denken aan de woorden van Jezus, die waarschuwt dat je niet God én de Mammon kunt dienen (Matteüs 6:24): 'Je kunt niet tegelijk voor God en voor het geld leven'.
Waaraan zou je kunnen merken dat geld (Mammon) een afgod voor je wordt?