Leuk dat je luistert naar dagvers, de dagelijkse podcast van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. Ik ben Hanna.
Vandaag lezen we Psalm 74:11-23.
God, waarom doet u niets?
U bent toch altijd onze koning geweest?
U hebt uw volk en uw land toch altijd geholpen?
Laat ons zien hoe machtig u bent,
vernietig uw vijanden!
Met grote kracht hebt u de zee in tweeën gedeeld,
en de koppen van zeemonsters vernietigd.
U hebt hun koppen stukgeslagen,
en hun vlees gevoerd aan de wilde dieren.
U hebt rivieren laten stromen,
en ze weer veranderd in droog land.
De dag is van u, de nacht is van u.
U hebt de zon en de maan een plaats gegeven.
U hebt de grenzen van de aarde bepaald,
u hebt de zomer en de winter gemaakt.
Heer, hoor hoe uw vijanden lachen,
hoor hoe dom ze zijn, hoe ze met u spotten!
Heer, wij zijn toch uw volk,
zonder u kunnen we niets.
Bescherm ons tegen het geweld van uw vijanden,
vergeet ons niet voorgoed.
Help ons, zoals u beloofd hebt!
Het land is vol geweld,
nergens is het meer veilig.
Laat onderdrukte mensen niet in de steek!
Als u ze helpt, zullen ze weer voor u zingen.
God, doe iets en verdedig uzelf!
Hoor toch hoe slechte mensen om u lachen,
elke dag weer.
Hoor hoe uw vijanden schreeuwen,
ze blijven maar tekeergaan!
'Waarom', daarmee begint de tekst van vandaag. De dichter krijgt het in zijn hoofd niet bij elkaar: hij weet dat God machtig is, dat Hij in het verleden krachtig is opgetreden tegen allerlei duistere machten, en dat Hij zijn volk in het verleden altijd geholpen heeft. Waarom doet God dan nu niets, nu het volk van alle kanten bedreigd wordt? In veel psalmen is er uiteindelijk een omkeer: de dichter schrijft dat God toch heeft ingegrepen, en dankt Hem daarvoor. Maar in Psalm 74 blijven de vragen en het wanhopige roepen staan.
Herken je de neiging om een gesprek altijd positief af te willen sluiten, of een relativerende opmerking te maken als je iets naars deelt dat je hebt meegemaakt? Wat vind je ervan dat de dichter dat hier niet doet?