[8] God, toen u uw volk hielp in de strijd,
en hen leidde door de woestijn,
[9] toen beefde de aarde,
en uit de hemel stroomde de regen neer.
Want u was daar, God,
u, die heerst vanaf de berg Sinai.
Want u was daar, God,
u, de God van Israël.
[10] God, u liet de regen stromen,
zo maakte u dor land weer groen.
[11] U liet uw volk daar wonen, God.
U gaf het land aan mensen zonder macht.
Zo goed bent u!
[12-13] Toen de Heer een bevel gaf,
vluchtten de koningen van Kanaän,
ze vluchtten haastig weg met hun legers.
Alle vrouwen vertelden dat nieuws aan elkaar.
En ze verdeelden de spullen
die de legers achtergelaten hadden.
[14-15] Maar alle mannen sliepen rustig door.
De machtige God heeft rijke koningen verslagen.
Die koningen waren machtig en sterk,
maar de Heer heeft hen overwonnen.
[16-17] Bergen van Basan,
grote, hoge bergen,
waarom zijn jullie jaloers?
Waarom zijn jullie jaloers
op de berg die God heeft uitgekozen?
Op die berg zal hij voor altijd wonen.
[18] De Heer ging van de berg Sinai
naar zijn heilige tempel.
Hij had veel strijdwagens om zich heen,
duizenden, ja tienduizenden!
[19] De Heer, onze God, ging naar zijn heilige tempel.
Hij nam gevangenen met zich mee,
en geschenken van zijn vijanden.
[20] Laat iedereen de Heer danken, elke dag.
Want hij helpt ons, hij redt ons.
[21] Onze God is een God die mensen bevrijdt.
God, de Heer, redt ons van de dood.
Psalm 68 is een uniek loflied: het prijst God om zijn verovering van het land Kanaän en hoe Hij voor het volk zorgde in de woestijn. Precies daarover hebben we de afgelopen dagen gelezen. De kracht van God komt op meerdere manieren ter sprake, maar vers 14 valt hierin op: terwijl de mannen liggen te slapen, jaagt God de vijanden op de vlucht en verdelen de vrouwen de buit. Oftewel, de mannen (die waarschijnlijk in het leger moesten dienen) komen te laat op het feest aan: terwijl zij lagen te slapen, hebben God en de vrouwen alles al geregeld.
Wat vind je van de volgende stelling: ‘God is niet lief, maar wel liefde’?